Gebruikershulpmiddelen

Site-hulpmiddelen


kraan:bart_kraan_op_de_hemmeermolen

3.8 Bart Kraan op de Hemmeermolen

Bartholomeus “Bart” Kraan 1885-1969 is in 1885 geboren op de Blauwe Molen in Rijpwetering en zijn vader Petrus “Piet” Kraan 1856-1911 was toen al ongeveer 7 jaar poldermolenaar. Op de plek van de huidig molen stond oorspronkelijk een wipmolen en deze is vanwege de slechte staat vervangen door een achtkanten rieten molen. De behuizing in de wipmolen moet voor het gezin met tien kinderen nogal krap geweest zijn. Zijn tweelingzuster Huberta Johanna Kraan 1885-1886, die volgens de geboorteakte zes en een half uur na hem geboren werd, stierf met 11 maanden. Daarna werd een meisje Geertruida Gijsberta “Zr. Barbara” Kraan (1888) geboren, dat als een soort vervangster van de gestorven tweelingzus door het leven is gegaan. Als non kreeg ze de naam Zuster Barbara.

1999-1229a.jpg

Wachten op een poldermolen

Bart Kraan 1885-1969 werkte bij boeren in Schipluiden, Maasland, en Kwintsheul. Hij hield ervan om rond te trekken. Hij werkte ook op Duindigt met paarden. Sinds 1905 stond hij ingeschreven in Voorburg en op 13 maart 1906 solliciteerde hij bij de Nes polder voor de functie van poldermolenaar. Dat briefje is bewaard gebleven. Hij moest een tijd wachten tot er een molen vrijkwam om net als zijn vader poldermolenaar te kunnen worden. Er kwamen al eerder molens vrij rondom Utrecht, maar dat waren polders van protestante boeren en die wilden liever protestante molenaars. Op 28 januari 1911 kreeg hij een aanbevelingsbrief van het bestuur van de Blauwe Polder. Ruim een jaar later, op 1 juli 1912 werd hij aangesteld op de Hemmeermolen in Warmond. Ondertussen had hij met zijn vriendin Catharina Maria “Kaatje” Ruiterman 1885-1973 zeven jaar verkering. Na de ondertrouw bezocht het stel per tilburie (rijtuig) boeren om bruidsuikers af te geven om zo deze gelegenheid te vieren. Het huwelijk werd voltrokken op 26 juni 1912 in Schipluiden.

Kaatje Ruiterman

Kaatje Ruiterman 1885-1973 was vóór haar huwelijk nog niet op de molen geweest en woonde als laatste van de acht kinderen thuis waar ze haar vader Martinus verzorgde. Na het huwelijk nam ze de huisraad uit haar ouderlijk huis mee naar de molen in de Groot Hemmeerpolder en haar vader verhuisde ook mee. Martinus heeft nog ongeveer drie maanden geleefd en is toen van eenzaamheid of heimwee gestorven.

Er was geen of weinig contact met de ooms en tantes Ruiterman, omdat deze mensen zich van een betere stand voelden als tuinder of eigenaar van een eigen zaak. Kaatje hoefde daar niet langs te gaan, vertelde ze wel eens. Ze zou dus eigenlijk een beetje beneden haar stand zijn getrouwd, maar voor haar was het leven als molenaarsvrouw luxer dan dat ze thuis gewend was. Ze bezat hier bij voorbeeld veel mooiere kleren.

De Molen en het Gemaal

De molen stond op de dijk van de diepe Groot Hemmeerpolder. De kinderen Kraan konden zich langs de dijk lekker omlaag laten rollen in het gras. Voordat de molen in 1924 werd afgebroken, woonde het gezin 's zomers in het zomerhuis, omdat het te benauwd was om in de molen te slapen. Vader en moeder sliepen in een ledikant en de kinderen sliepen op een laag stro waar een deken overheen werd gelegd. 's Winters werd het zomerhuis als stal gebruikt en er was een klompenhok tegenaan gebouwd. Aan het zomerhuis hing de duiventil van Petrus “Piet” Kraan 1916-1985. Martinus “Maarten” Kraan 1920-1977 hield konijnen in hokken. Verderop stond een hooischuur.

Uit brieven en documenten in het polderarchief is na te lezen hoe de molen werd vervangen door een gemaal. Dit gebeurde vanwege noodzakelijke kostbare reparaties aan de vijzelkap en de staande spil. Daarbij kwam de langdurige regenperiode van 1923 en de daarop volgende langdurige windstilte. Het polderbestuur besloot op 31 december 1923 na te gaan of de molen door een machine kon worden vervangen. Wat ook meetelde, was dat de molenaarswoning in 1920 door de gezondheidscommissie was afgekeurd. Op 1 januari 1924 werd een brief naar prof. M.E. Visser van het Landbouwkundig Technisch bureau te Wageningen gestuurd, een deskundige die polders adviseerde over gemalen. Aan twee molenmakers werd een prijsopgaaf gevraagd voor het repareren van de molen. Uiteindelijk adviseerde Professor Visser een elektrisch gemaal. De kabel van de Leidsche Lichtfabriek liep toen echter nog niet verder dan tot het hek van het huis en doortrekken bleek te duur. Op 8 mei 1924 besloten de eigenaars van de poldergrond voor een motorgemaal. Het werd een Crossley ruwoliemotor met een Stork centrifugaalpomp.

De vereniging De Hollandse Molen, opgericht in 1923, stuurde nog een brief of men de molen niet wilde laten staan. Dit kon alleen als de vereniging het onderhoud op zich nam, antwoordde het polderbestuur. Helaas had de vereniging daar de middelen toen niet voor. Aannemer Vrijburg begon op 11 juli 1924 met de afbraak van de molen. De stalen roeden gingen naar de molen van de Broek en Simontjespolder en de andere onderdelen werden doorverkocht. Er werd een stenenbikker aangeworven, alle bouwmaterialen werden weer verhandeld.

Op de oude plek van de molen werd het nieuwe gemaal gebouwd met ernaast een tank voor 20 vaten met brandstof. De firma Troost uit Leiden kwam om de paar maanden per boot olie en petroleum voor het oliestel en de lampen brengen. Elektrische stroom was er immers niet.

Behalve een machinegebouw werd er ook een nieuw woonhuis gebouwd. Het werk werd voor 9345 gulden aangenomen door de firma Zwanenburg & van der Bent uit Katwijk. Om alles te kunnen financieren, werd door het polderbestuur een lening afgesloten. Op een vergadering van de ingelanden in juli 1924 informeerde G. de Wit nog of het machinegebouw en woonhuis niet onder één dak konden komen, maar dat was technisch niet haalbaar. Het voorstel van G. de Wit om de familie Kraan dan maar in Sassenheim te laten wonen, pakte negatief uit, omdat ze dan meer salaris zouden moesten gaan betalen. Op 11 december 1924 werd tijdens een officiële bijeenkomst de motor van het gemaal door machinedrijver Bart Kraan 1885-1969 aangezet. De motor was eigenlijk al sinds 23 oktober van dat jaar in bedrijf. Het Leidsch Dagblad schreef op 13 december over de huisvesting van het gezin:

“Deze woning wijkt van de gewoonlijk uiterst sobere behuizing van watermolenaars enorm af, doordien ze zonder eenige bijzondere luxe keurig en ruim mag genoemd worden. Een zeer groote woonkamer, slaapkamer, keuken en kelder, alles van zeer groote afmetingen en van alle gerief voorzien, twee afgeschoten kamers met slaapplaats en ruime zolder met slaapplaats en kasten, geven het beeld dat werkelijk is getracht te verkrijgen, zooals de heer v.d. Zon zeide, dat menschen die zoover en afgelegen hun woning moesten hebben, wel een degelijke ruime woning mochten hebben, die ruimte en comfort geeft, terwijl het uitzicht op de Kagermeren onbetaalbaar is.”

De machine van het gemaal zag er altijd piekfijn uit. Eens in de drie maanden werden alle koperen kranen gepoetst en alles werd geschrobd. De kinderen kwamen dan emmers water brengen naar de machinekamer. De muren waren netjes gewit.

Boer Gijs Vergeer, die vanaf 1953 machinist was, legde in 2003 uit hoe de Crossley-motor opgestart moest worden. De compressietank met samengeperste lucht, zorgde ervoor dat de zuiger in beweging kwam. Lukte het een keer niet om de motor op die manier te starten, dan moest een grote sterke monteur uit Delft komen. De cilinder moest van tevoren met een gloeinaald worden voorverwarmd. De gloeinaald werd met een gasbrander heet gemaakt. De Crossley-motor was volgens Vergeer eigenlijk een omgebouwde houtgas- (of zuiggas-) motor. In 1975 werd de motor vervangen door een elektromotor.

Bart Kraan 1885-1969 stelde in 1930 aan het polderbestuur voor om elektriciteit in het motorgebouw en het huis aan te leggen, opgewekt door een dynamo op de motor. Hij bood aan de helft van de kosten zelf voor zijn rekening te nemen. Het bestuur wilde daar echter niet op ingaan.

In de jaren dertig kwamen er steeds meer machines voor allerlei werkzaamheden, herinnerde dochter Agaath Kraan 1917-2000 zich. Grootvader Piet Kraan 1856-1911 had destijds al tegen zijn zoon Bart Kraan 1885-1969 gezegd, dat er een tijd zou komen dat de paarden door machines zouden worden vervangen.

Inkomsten

Naast een vrije woning ontving Bart Kraan 1885-1969 van de ingelanden van de polder een jaarwedde, maar dat was te weinig om met een gezin te leven. Hij heeft vaak om een verhoging van het jaarlijkse maalloon moeten vragen, zo blijkt uit de notulen van de vergaderingen van het polderbestuur. In 1931 wordt weer een verhoging toegekend, maar tevens zal hem dan aangezegd worden, dat hij niet telkens weer erop terug moet komen. Neemt hij er geen genoegen mee, dan staat het hem vrij zijn ontslag te nemen. Het is voor een bestuur zeer onaangenaam, iemand in dienst te hebben die chronisch ontevreden is, aldus de notulen.

In drukke periodes werkte Bart Kraan 1885-1969 bij boeren en het polderbestuur. Bij laatsgenoemde deed hij allerlei onderhoudswerk aan bruggen en ontving hierbij een paar tientjes per jaar. In 1944 rekende hij voor dit werk een arbeidsloon van 50 cent per uur. Hij ving aanvankelijk tegen een jaarvergoeding van 55 gulden de mollen weg uit de polder en 10 gulden voor het uitstrooien en slechten der molshopen. Het mollen vangen ging met klemmen, die op de juiste plekken in de ritten moesten worden gezet. Na het slachten van de mol, werd het vel op een plank gespijkerd en bij de kachel te drogen gezet. Hij nam de velletjes mee naar de markt en kreeg er dan een klein bedrag voor. Bart Kraan 1885-1969 vroeg enkele malen vergunning bij het Hoogheemraadschap om riet te mogen snijden. Dat verkocht hij aan de bollenboeren.

Bart Kraan 1885-1969 had een aantal varkens voor de handel en er waren 40 à 50 kippen, de eieren waren voor eigen consumptie en verkoop. Ook werd er wel eens een kip geslacht voor de verkoop aan watersporters. Ze hadden ook een keer een haan, maar die moest na een maand weg, omdat hij Alberdina Maria “Dien” Kraan (1923) aanvloog. Ze verkochten wel eens melk en eieren als er een tjalk in de Zandsloot lag, welke mest bracht voor de bollenboeren. De mest werd daar overgeladen in kleinere schuiten.

Als de economische toestand in Nederland in 1933 moeilijk is, informeert D.A. van Rijn tijdens een bestuursvergadering of het salaris van Kraan niet verlaagd moet worden. De rest van het bestuur voelt daar echter niet voor, want de jaarwedde is immers ook nooit verhoogd toen de tijdsomstandigheden daar aanleiding toe gaven. Op de vergadering van ingelanden van maart 1934 meent J.Warmerdam, dat de het loon van Kraan, gezien de grootte van de polder, te hoog is en dat verlaging gewenst is. Met algemene stemmen wordt de jaarwedde met 30 gulden verlaagd. Bart Kraan 1885-1969 schakelt dan de Bond van Ambtenaren , Waterschappen Zuid-Holland in. De voorzitter van de Bond, J. van Hemmen, zal in april 1934 de zaak bepleiten. Hij wijst erop, dat Kraan door deze verlaging nu buiten de pensioenwet valt en derhalve geen aanspraak kan maken op pensioen. Het polderbestuur besluit dan om voor te stellen de korting ongedaan te maken en het pensioen beter te regelen.

Ook de kinderen van Bart Kraan 1885-1969 werkten mee op de molen en het gemaal. Als oudste kind bediende Cornelia Petronella Jacoba “Cor” Kraan (1915) wel eens de molen als haar vader ziek was. Haar vader had haar geleerd hoe dat moest. “Piet” Kraan 1916-1985 wist blijkbaar ook hoe hij de motor van het gemaal moest bedienen. Op een vergadering van de ingelanden in april 1932 werd geïnformeerd of de zoon van Kraan hem bij ziekte zou kunnen vervangen. Dat achtte het polderbestuur heel goed mogelijk.

Cor Kraan (1915) ging op 11-jarige leeftijd van school af. Ze moest meehelpen bij boeren om stekels te gaan pikken: met een grote houten tang stekels uit het weiland trekken of ze moest koeienvlaaien verspreiden, omdat de koeien op die plekken niet wilden grazen. Schapen hadden daar trouwens geen last van. Ook moest zij de schapen van de boer tellen. Als een schaap in de sloot zat, dan kwam haar vader het beest met touwen eruit trekken. Als er een kindje bij de boer geboren was, ging Cor Kraan (1915) in het huishouden helpen. De eerste bij wie zij werkte, was Van Rijn. Zij, of liever gezegd haar vader, verdiende dan iets van twee kwartjes per week. Cor Kraan (1915) maakte dan ook boter en kaas op de boerderij. Als de knechten op zondag vrij hadden, hielp ze ook bij het melken. De boer vond dat ze het goed kon en hoefde bij haar niet na te melken.

Rond augustus werden er twee koeien op stal gezet. Uit een registratieformulier blijkt, dat niet alle koeien te leen waren van oom Gerardus “Gerrit” Kraan 1883-1960, maar dat Bart Kraan 1885-1969 ook zelf vee bezat. De geleende koeien werden gemolken tot het voorjaar en dan gingen ze weer weg, want ze hadden natuurlijk te weinig land om koeien te laten grazen. Om de dieren 's winters te voeren werd er hooi ingekocht. Hun koe stond het ene jaar bij de ene boer in de wei, een volgend jaar bij een ander. Ze hielden wel het hele jaar twee geiten, die gemolken werden door Cor Kraan (1915).

Je kon bij de molen niet goed vis vangen. Wel zette Bart Kraan 1885-1969 soms een visbun met gesneden riet bij de inlaat van het gemaal. Daar kwam dan paling in en die verkocht hij aan de watersporters voor een liter jenever. De watersporters zorgde ook voor inkomsten. 's Zomers lag in de sloot bij de molen een aantal boten van watersporters. Bart Kraan 1885-1969 mocht bij elke boer niet meer dan één boot hebben liggen.

Poldermolenaar Bartholomeus “Bart” Kraan 1885-1969 met zijn vrouw Kaatje Ruiterman 1885-1973 en hun drie oudste kinderen Cornelia Petronella Jacoba “Cor” Kraan (1915), Petrus “Piet” Kraan 1916-1985 en Agatha “Agaath” Kraan 1917-2000. De foto is gemaakt rond 1922 op de plek van de Hemmeermolen. Deze molen zou in juli 1924 worden afgebroken en op dezelfde plek zou een motorgemaal gebouwd worden met een woning voor het molenaarsgezin. (1999-1231)



Varkens

Bart Kraan 1885-1969 zorgde op allerlei manieren voor extra inkomsten. Hij hield een stuk of zes varkens en handelde hierin. Varkensmeel, waarvan slobber voor de varkens, werd per boot gebracht en gelost in de Zandsloot. Het kwam van De Leerhoeve in Alphen aan de Rijn en ze brachten dan ook rijst, bonen, kapucijners en havermout, alles met 25 pakken tegelijk. Van de zeugen had Bart Kraan 1885-1969 soms wel zo'n 40 biggen. Hij hield er dan twee om vet te mesten voor eigen gebruik en de rest ging in de verkoop. Er kwam later een wet dat je maar een maximum aantal varkens mocht houden. De varkens waren gehuisvest in een houten schuur bij het zomerhuis en in een aantal schuren aan de andere kant van de sloot. Voor het timmeren van deze schuren ging hij wel eens kromme spijkers rapen, die te vinden waren op plekken waar gebouwd werd. Thuis sloeg hij die spijkers weer recht.

Molenaar Bartholomeus "Bart" Kraan 1885-1969 heeft zijn varkens in een met hekken afgezet stuk weiland met slobber gevoerd. Zijn zoon Petrus “Piet” Kraan 1916-1985 zit naast hem. (1999-1227)



De familie Kraan had eerst bonte varkens, maar op een gegeven moment moesten het witte varkens worden. Kleinzoon Bert Kraan (1943) moest toen van z'n opa tegen oma gaan zeggen, dat hij de witte varkens mooier vond. “Ik moet van opa zeggen dat…”.

Het maximale gewicht van een varken stond vast, namelijk 200 pond. Vóór die tijd verkocht Bart Kraan 1885-1969 varkens van wel 400 pond en liet ze dan eerst zo'n drie keer biggen. De slachtvarkens verkocht hij aan de Warmondse slagerij Uittenbogaard. De dieren voor de handel, werden door hem zelf per roeiboot naar de (vee)markt in Leiden gebracht. Hij legde meestal aan bij de Mare, toen nog niet gedempt. Bij De Koekop aan de Mare kocht hij wel eens vaatjes smeerolie voor de motor van het gemaal en tonnetjes groene of gele zeep. Gele zachte zeep werd gebruikt voor de witte was. Verder werden er voor de was stukken harde Sunlight zeep geraspt om sop te maken. Even verderop was het adres waar pakken koffie werden gekocht: bij Eigenman, op de hoek bij de Hartebrugkerk. Bij twee pakken koffie kreeg je een kilo suiker gratis. Na de markt ging Bart Kraan 1885-1969 altijd koffie drinken bij cafés Van Duren en hier had hij zijn vaste plek.

Blijkbaar liepen de varkens van hem wel eens op het land van een boer, want soms wordt daar tijdens vergaderingen van polderbestuur of van ingelanden over geklaagd. In maart 1925 klaagt D.A. van Rijn erover, dat de varkens in de Klein Hemmeerpolder lopen. In 1932 zijn er opnieuw klachten van Van Rijn dat varkens van Kraan bij hem in het land komen en het bestuur besluit hem aan te schrijven, zodat hij onverwijld maatregelen moet nemen.

Het gezin

Het eerste kind van Bart Kraan 1885-1969 en zijn vrouw Kaatje Ruiterman 1885-1973 kreeg dezelfde naam als zijn opa, namelijk Piet. Het kindje stierf aan stuipen op een jonge leeftijd van slechts 10 maanden. Vader Kraan liet een foto maken van het kindje, dat met open oogjes was opgebaard in een kleedje met veel kant en een kransje om het hoofd. De dood van het kindje was natuurlijk een vreselijke ervaring en nog maar drie weken later herhaalde het noodlot opnieuw toen Kaatje Ruiterman 1885-1973 haar tweede kindje levenloos ter wereld bracht. Door deze gebeurtenissen mocht van de dokter het overleden jongetje door zijn vader begraven worden bij de molen.

In 1915 werd dochter Cor Kraan (1915) geboren en als laatste Hendricus “Harrie” Kraan 1928-1931. Agaath Kraan 1917-2000 werd lange tijd “Zus” genoemd. Zij zorgde een tijdlang voor haar broertje Maarten Kraan 1920-1977, die na haar gekomen was. Het jongste meisje Dien Kraan (1923) overheerste haar oudere broers en zusters nogal, ze was hen eigenlijk vaak de baas. Waarschijnlijk hadden die een wat meer meegaand karakter.

Als er een broertje of zusje bij kwam, dan bleef moeder een tijdje in bed “omdat ze haar been bezeerd had”. Toen ze niet meer in de ooievaar of de rode kool geloofden, gingen de kinderen zich afvragen, waar de kindertjes vandaan kwamen. Bij de dieren kwamen de jongen er van achter uit. Was dat bij mensen dan ook niet zoiets? Maar moeder Kraan zei dan dat de dokter het kindje meebracht in z'n koffertje. “Maar in dat dichte koffertje krijgt het kindje toch geen lucht?” Vroeg een kind zich af. Als er een kindje geboren was bij de buren, dan mochten ze van vader Kraan niet gaan kijken. Dat was nergens voor nodig, vond hij.

Het jongste kind Harrie Kraan 1928-1931 verdronk op 1 juli 1931. Gijs Vergeer vertelde in 2003 dat zijn vader net langs was komen varen met een schuit met mest. “Dag buurman!” had het kindje nog gezegd. Toen Vergeer even later achterom keek, zag hij dat ze het jongetje uit het water haalden. Ze hadden z'n klompjes zien drijven. Hij was over de plank gelopen die over de sloot lag en eraf gevallen net toen zijn vader eraan kwam met de boot en aan de overkant van de sloot aanlegde. Bart Kraan 1885-1969 was aan het helpen met hooien bij Boer Oostdam. Politieman Van der Krogt was er net, omdat hij hem ergens over wilde spreken. De dokter was er snel en hebben nog beademing met een zuurstofapparaat geprobeerd, maar het kindje was al overleden. De kinderen hoorden het toen ze uit school kwamen. Van Harrie Kraan 1928-1931 is nooit een foto gemaakt, maar er hing een ingelijste foto van de poes van hem aan de muur. Toen Agaath Kraan 1917-2000 het ouderlijk huis verliet, nam ze die mee en bewaarde ze zijn klompjes, mooi versierd met kleurige servies-scherfjes. Petrus “Piet” Kraan 1923-2003, zoon van Hendrik Kraan 1892-1977, herinnert zich na al die jaren nog precies hoe oom Bart Kraan 1885-1969 bij hun thuis langs kwam. Hij stapte van zijn fiets en je kon al aan z'n gezicht zien, dat er iets heel ergs gebeurd was: Harrie was verdronken. Hij is dat nooit meer vergeten.

Kaatje Ruiterman 1885-1973 breide graag. Ze breide onder andere sjet (sajet) met dunne naalden voor heel fijn breiwerk. Agaath Kraan 1917-2000 heeft een set dunne naalden bewaard. Later mocht haar moeder van de dokter niet meer breien, omdat haar hand ging vergroeien van het vele breien. Ze ging toen maar kleedjes borduren. Kaatje Ruiterman 1885-1973 had ook een bril. Volgens een briefje bij de bril was deze oorspronkelijk van Agatha Ruiterman-van der Lelij, de moeder van Kaatje Ruiterman 1885-1973 geweest. De bril is ooit aan de deur gekocht van een marskramer. Waarschijnlijk was het een gewiekst koopman die haar met veel overtuigingskracht wijs had gemaakt, dat ze er beter mee kon zien, want er zit gewoon glas in.

Als medicijnen gebruikte het gezin Kraan eigenlijk alleen kloosterbalsem voor zere spieren en purol (trekzalf) tegen ontstekingen. Ze hadden ook Haarlemmerolie, maar dan gemaakt door paters. De kinderen slikten levertraan en kregen na de vieze smaak een snoepje. Bij Kaatje Ruiterman 1885-1973 thuis hadden ze destijds als medicijnen alleen gedroogde kruiden die je langs de weg kon vinden, zoals vlierbessen en kamille. De marskramers, venters en zigeuners kwamen altijd op dinsdag bij de molen langs, want ze wisten dat vader Kraan dan naar de markt was. Kaatje Ruiterman 1885-1973 was bang voor deze mensen en kocht dan maar wat van ze, dan gingen ze tenminste weg. Ze gaf altijd wat aan bedelende zigeuners, want die pikten of stalen regelmatig.

Kaatje Ruiterman 1885-1973 ergerde zich wel eens aan de pastoor als die op huisbezoek kwam, als ze niet zwanger was, want hij vroeg of ze haar plicht wel deed.

Bart Kraan 1885-1969 had altijd een zakmes en een stukje touw in zijn zak. Dat kwam altijd van pas. Toen hij een kunstgebit kreeg, kon hij niet meer goed pijp roken, omdat hij de pijp niet met z'n tanden kon vasthouden. Hij kon mondorgel / mondharmonica spelen. Zijn zoon Maarten Kraan 1920-1977 kon er ook wel geluid uit krijgen, maar niet op spelen. De kinderen van Tante Aagie, de zus van Kaatje Ruiterman 1885-1973, konden het wel goed. Als ze erop speelden, terwijl ze in een bootje zaten, klonk dat prachtig mooi over het water. Er waren toentertijd ook speciale jeugdclubs om mondharmonica te spelen.

Bart Kraan 1885-1969 gold als tamelijk welgesteld. Zijn vrouw Kaatje Ruiterman 1885-1973 had altijd mooie jurken en jassen, zo herinnerde men zich dat in de familie. Bart Kraan 1885-1969 kon het zich veroorloven om een radio te kopen. Die kreeg stroom van een accu. Ze hadden drie accu’s en zo kon er steeds een volle klaar staan. Bij buurman Vergeer stond een gelijkrichter, waaraan elke week een accu opgeladen werd. Tijdens de vergadering van ingelanden van oktober 1933 vroeg J. Warmerdam of het bestuur wel wist, dat Kraan de antennedraad van zijn radio-installatie aan het motorgebouw bevestigd had. Omdat Kraan hiervoor geen vergunning had gevraagd bij het bestuur werd besloten hem schriftelijk aan te zeggen, dat het bedoelde draad met houtwerk over acht dagen moest zijn verwijderd.

Kaatje Ruiterman 1885-1973 zag hoog tegen haar man op. Ze zei altijd “U” tegen hem. Dat was destijds in die kringen niet ongebruikelijk. Als er in huis iets kapot ging zonder dat iemand daar schuld aan had, hield zij dat toch zo lang mogelijk voor haar man verborgen, uit angst dat hij anders heel kwaad zou worden. Als er bij voorbeeld een sport onder aan een stoel los gegaan was, mocht hij dat niet weten en moest die stoel snel weggezet worden in de schuur.

De post moest eerst door Bart Kraan 1885-1969 bekeken worden, pas daarna mochten de anderen het zien. Er was een keer een kaart gestuurd aan Jans van der Meij, maar Kaatje Ruiterman 1885-1973 maakte aan Jans duidelijk, dat daar niet over gepraat mocht worden, want daar wist haar man niets van.

Als er op 1 januari verkoop was van snoeihout uit het bos van Krantz, dan kocht Bart Kraan 1885-1969 daar takkenbossen om het fornuis te stoken. Die werden dan gebundeld en met de roeiboot naar de molen gebracht. Het dikkere hout werd apart gehouden voor de kachel. Kolen en turf haalde hij met de roeiboot bij kolenboer Schouten. Hij maakte waarschijnlijk zelf ook turf door bagger van plantenresten te laten indrogen, al was dat eigenlijk verboden.

Ze gebruikten regenwater dat in een grote ronde put werd opgevangen en daaruit werd opgepompt. Als het 's zomers lang droog was, werd de put schoongemaakt en water in een melkbus bij een boer opgehaald. Het linnengoed werd gespoeld nabij een stoep die een eindje het water in stak. De afwas/vaat werd ook op deze plek gespoeld als er geen regenwater was. Het water van de Kaag was toen nog heel schoon. De kookwas werd gestampt. Ze gebruikten geen wasbord. Ze moesten bij het stampen tot honderd tellen en dan de was omkeren.

School en kerk

Cor Kraan (1915) heeft als enige op de bewaarschool gezeten. Haar jongere broertje Piet Kraan 1916-1985 zat er een half jaar op. De kinderen gingen naar school met hun boterhammen in een stikkezak en deze was om hun middel vastgemaakt. De boerenkinderen hadden trommeltjes. Agaath Kraan 1917-2000 zat bij Jans van der Meij in de klas en konden beide goed leren. Dora Schakenbosch en Marietje Homans waren nummer 1 en 2, Agaath Kraan 1917-2000 en Jans waren meestal 3 en 4, een beetje beurtelings.

De familie ging in Sassenheim naar de kerk. Als de kinderen Kraan 's zondags naar de kerk gingen, dan liepen ze met schoenen in de hand en laarzen of klompen aan, over het pad naar het dorp en deden bij Boer Oostdam (later Van Egmond) hun schoenen aan en terug omgekeerd. Ze zetten hun klompen of laarzen onder de hooiberg en mochten ze niet in de schuur zetten. Als je terugkwam moest je altijd maar afwachten of ze nog droog stonden of natgeregend waren. Aan Van Egmond hebben de kinderen dus niet zo'n beste herinneringen.

In 1940 maakt Bart Kraan 1885-1969 de afspraak met het polderbestuur, dat hij planken wil leggen op het drassige gedeelte van het overpad naar het gemaal en dat het bestuur hem daarvoor voortaan jaarlijks 3 gulden huur zal betalen. Het pad door de polder liep over het stuk grond van landeigenaar Jonkheer Loudon, die in 1936 bezwaren maakte tegen het overpad over zijn land. Er werd toen door het polder-bestuur onder andere afgesproken, dat er geen onbevoegden overpad zouden krijgen en dat het pad niet met rijwielen bereden zou worden. Bart Kraan 1885-1969 vond echter, dat hij zich als motordrijver niet aan dat verbod hoefde te houden. Tijdens de vergadering van het polderbestuur in februari 1937 vraagt men zich af of men Kraan hiervoor kan ontslaan. Besloten werd, dat J.C. van der Voet namens het bestuur in een brief advies hierover zou vragen aan de Redactie van het maandblad van de Zuid-Hollandse Waterschapsbond.

Uitstapjes

Bart Kraan 1885-1969 ging elk jaar naar een bijeenkomst van molenaars in Delft. Af en toe ging hij op bedevaart naar Wittem in Zuid-Limburg, waar Gerardus Majella vereerd werd, maar ook bezocht hij Kevelaer in Duitsland. Hij heeft een keer een stenen pijp als souvenir meegenomen en die is bewaard door zijn dochter Agaath Kraan 1917-2000.

Er waren mensen die het niet juist vonden, dat hij dergelijke uitstapjes maakte. De knecht wel uitgaan en de baas, dat wil zeggen: de boer niet, dat kon toch niet. Zijn zoon Bartholomeus “Bart” Kraan 1921-2002 ging wel eens met de Jozefsgezellen op bedevaart naar Heiloo. Een tijdlang ging Bart Kraan 1885-1969 elk weekend, door weer en wind naar zijn jongste zuster Petronella Cornelia “Lina” Kraan 1900-1979 in Rijpwetering. Zijn vrouw mocht dan niet mee, want hij vond het maar een oude troep bij Lina.

Lina Kraan 1900-1979 kwam bakeren als er kinderen geboren waren. Toen ze in 1929 zou gaan trouwen, zat ze dan tussendoor spreien te haken. Cor Kraan (1915) ging wel eens mee met haar vader op bezoek bij oma Cornelia “Kee” Schrama 1855-1932 die in Roelofarendsveen was gaan wonen in het huis van dochter Lina Kraan 1900-1979 . Vader en dochter gingen dan met een roeiboot met één of twee fietsen aan boord. Ze vertrokken na werktijd, om een uur of zeven en waren dan 's nachts om een uur of twaalf terug. Cor Kraan (1915) roeide, want haar vader was moe na een dag werken. Ze staken de Kaag over en gingen dan verder met de fiets naar Roelofarendsveen. Op de terugweg zat haar vader dan in de boot te slapen. Cor Kraan (1915) herinnert zich dat het een keer was gaan dampen (misten) en dat je niets meer kon zien. Zij was niet bang te verdwalen, want ze kon goed in een rechte lijn roeien. Er was een vaargeul door de Kaag en je hoorde de boten toeteren door de mist, levensgevaarlijk dus. Zij maakte toen haar vader wakker. Hij keek waar de maan stond en waar de wind vandaan kwam, zoals een molenaar gewend is. Ze zijn dus uiteindelijk heelhuids thuisgekomen.

Eens per jaar gingen ze op bezoek bij Gerrit Kraan 1883-1960 en zijn vrouw Adriana “Jaantje” Romijn 1893-1979, wonend op de Blauwe Molen in Rijpwetering en deze reis verliep per roeiboot. Van Bart Kraan 1885-1969 mochten ze de roeiboot altijd pas na vijven gebruiken, want dan pas was het zeker, dat er geen huurders meer kwamen. Ze roeiden dan naar Hoogmade en als het kon, liepen ze langs de kant en trokken de boot met een touw.

Ze bezochten ook wel eens Geertruida Gijsberta “Zr. Barbara” Kraan 1888-1977, een zuster van Bart Kraan 1885-1969. Haar meisjesnaam was Geertruida en ze was in 1917 bij de Karmelietessen gegaan en woonde en werkte lange tijd in Amsterdam in een tehuis voor schipperskinderen. Ze was een “buitenvrouw” en verantwoordelijk voor de groentetuin, ze was gewoon gebleven. Zr. Barbara Kraan 1888-1977, maakte in haar vrije tijd blikjes met erom heen gelijmd wasknijpers en kregen dat toen een keer mee.

Zuster Francisca “Zr. Marie Victorie” Kraan 1889-1977 was de andere zuster van Bart Kraan 1885-1969 en ook non. Haar meisjesnaam was Francisca, roepnaam Sien en ze was in 1918 Franciscanes geworden. Ze woonde in een weeshuis in Den Haag en werkte in Ziekenhuis Westeinde. Ze zou in de operatiekamer hebben gewerkt. Later woonde ze in Roosendaal. Alleen haar broer Bart Kraan 1885-1969 en zijn vrouw bezochte haar, want ze wilde niet dat er kinderen mee kwamen. De familie Kraan vond haar een beetje hoogmoedig. Je hoorde het al aan de naam, zei men. Zij maakte in haar vrije tijd rozenkransen.

Watersporters

Aan de andere kant van de sloot stond een botenhuis, waar de boten 's winters opgeborgen lagen. Op de zolder van de stal die dwars op het zomerhuis stond, was stro en spullen van watersporters, die daar 's zomers konden slapen.

Er werd ook wel eens op zondag aan een boot gewerkt, tot ergernis van boer van Rijn, die daar op de bestuursvergadering van april 1934 bezwaar tegen maakte. De rest van het bestuur deelde zijn bezwaren, maar zei, dat men daar weinig tegen kon doen, hoogstens Bart Kraan 1885-1969 eens een wenk geven.

Als vaste gast kwam in de zomer het echtpaar Stien en Frans de Krom van de Hoefkade in Den Haag. Dat waren persoonlijke vrienden van de familie geworden. De kleinkinderen kwamen daar ook wel eens op bezoek. Op de Hoefkade woonde het echtpaar in een huis met een trapportiek en dat was voor de kinderen uit Warmond voor het eerst in hun leven dat ze zulke woningen zagen.

Toen Stien de Krom weduwe was geworden, heeft Agaath Kraan 1917-2000 samen met haar een aantal reizen naar het buitenland gemaakt. Ze gingen bij voorbeeld naar het Zwarte Woud, naar Hamburg, naar de watervallen van Coo, naar Salzburg en naar Lourdes. Vanuit Lourdes maakten deze twee dames per ezel een tochtje naar de Pyreneeën. Ondanks de sneeuw kon je daar met gewone kleren staan, want het was helemaal niet koud. Agaath Kraan 1917-2000 had ervaring met paard rijden, want als de boeren met paarden aan het werk waren, dan klom zij wel eens op een paard. Toen de gezondheid van Bart Kraan 1885-1969 achteruit ging, wilde Kaatje Ruiterman 1885-1973 liever dat dochter Agaath Kraan 1917-2000 dichter bij huis bleef.

Andere kennissen waren Nelis en Marie Staal uit Den Haag. Zij hadden een eigen boot bij de familie Kraan liggen, evenals Frits en Trudie de Graaff. Frits had een deftige sigarenzaak in Den Haag en leverde in die tijd onder andere aan ministeries en aan de directeur van de Starlift fabriek. Ze kwamen al in 1931 in de polder om te zeilen. Hun zoon Robbert de Graaff herinnert zich nog hoe hij met z'n vader en moeder naar “Boer Kraan” in Warmond ging. Ze hadden bij daar een schouw liggen, waar je ook in kon slapen. In de keuken van de familie Kraan was een koperen kraan, er waren olielampen en alles was glimmend gepoetst. Het water had een apart smaakje, wat hij niet lekker vond. Naast het huis stond een rij populieren en een hek waar je de wind in hoorde. Er was een schuur met binnen en buiten zwaluwen. Je kon de lekkere lucht van varkensvoer goed ruiken, maar ook de geur van Stockholmse teer. Agaath Kraan 1917-2000 was lange tijd goed bevriend met de familie De Graaff. Ze noemden haar Ada. Ze ging met Prinsjesdag in Den Haag bij hen naar de gouden koets kijken. Er werd dan een tribune in de etalage gebouwd en er werd voor soep gezorgd, waarbij zij hen hielp. De familie De Graaff ging elk jaar met vakantie naar een hotel in Zoutelande en Agaath Kraan 1917-2000 mocht dan mee. Ze brachten haar 's zondags naar een katholieke kerk in Middelburg, want zelf waren ze Luthers. De eerste vakantie na de oorlog gingen ze de grens over naar België en keken daar hun ogen uit: daar was van alles te koop, zoals bijvoorbeeld speelgoed, terwijl in Nederland de winkels zo kort na de oorlog bijna leeg waren.

In de oorlog heeft Frits de Graaff ondergedoken gezeten bij de familie Kraan. Hij kwam dan soms via achterafstraatjes 's avonds naar het huis in Den Haag. Ze hadden een Siamese kat en herkende dan dat het vader De Graaff was die voor de deur stond. De familie had geoefend dat ze altijd eerst het kopje en lepeltje van vader moesten omwassen als er gebeld werd, terwijl hijr snel onderdook. Agaath Kraan 1917-2000 kwam in de oorlog een half jaar bij de familie in Den Haag wonen om te voorkomen dat ze Duitse militairen ingekwartierd kregen. Ze werkte daar als kinderjuffrouw en hielp ook mee in de huishouding. Zij bracht Robbert wel eens naar school en liep dan expres de verkeerde kant op. Na een half uur waren ze weer terug bij het huis. Agaath Kraan 1917-2000 ging in Den Haag samen met Ellie van Poorter, een bevriend buurmeisje naar de kerk in de Parkstraat. Het viel haar op dat de dames met hun tasje in de hand te communie gingen. Toen ze terugkwam van de communie begreep ze waarom dat was, want haar mooie kerkboek dat ze bij haar aannemen had gekregen, was gepikt.

Bij de familie Kraan kwam leraar Holtkamp van het Kleinseminarie in Heemstede ook wel eens langs. Hij was een priester die in Schipluiden buurjongen van Kaatje Ruiterman 1885-1973 was geweest. Bij het huwelijk was hij misdienaar en in 1962 droeg hij bij de gouden bruiloft de mis op in Warmond. Na het kleinseminarie werd hij pastoor in Goes en in 1962 benoemd tot Kanunnik van het bisdom Breda. In Warmond vonden katholieken zoals Aagje van der Meij het zeer ongepast, dat deze priester naar de familie Kraan ging om te roeien en daar dan mensen in badkleding zag lopen.

Als er ijs lag, dan verkocht de familie Kraan warme chocolademelk aan schaatsers. Piet Kraan 1916-1985 en Maarten Kraan 1920-1977 verkochten er ook ijsmoppen bij. Als er weer wat geld was binnengekomen, haalde het tweetal nieuwe voorraad en zo konden ze steeds wat meer kopen.

De oorlog

De oorlog maakte grote indruk op de familie Kraan. Voorbeelden van gebeurtenissen uit deze periode zijn bijvoorbeeld dat Graf Zeppelin een keer 's middags om 12 uur over het machinegebouw vloog en dat piloot Parmentier met zijn vliegtuig terug kwam van de eerste vlucht naar Indië. Zo herinnerde Agaath Kraan 1917-2000 het zich.

Toen de oorlog op 10 mei 1940 uitbrak, zagen ze vanaf de molen Duitse vliegtuigen. Ze dachten dat er ter hoogte van het Bos van Krantz zakjes zand naar buiten gegooid werden, maar dat waren de parachutisten die boven vliegveld Valkenburg werden gedropt. Ze hadden nog nooit parachutisten gezien. Piet Kraan 1916-1985 zat bij het uitbreken van de oorlog bij de artillerie in Leiden, want hij was augustus 1939 in dienst gegaan met als rang korporaal. Hij heeft op Valkenburg gevochten, maar wilde daar nooit over vertellen en ging nooit naar een reünie. Zijn kinderen kennen het verhaal wel. Mea Wiesmeijer-Kraan vertelde het volgende. “Met drie kameraden zat Piet in Maaldrift met een mitrailleur in een schuur. Er stonden kisten waarvan ze dachten dat er munitie in zat, maar er bleek stro in te zitten. Op een gegeven moment kwamen er zes Duitse soldaten op de schuur af. Ze hebben ze neergemaaid met de munitie die ze nog hadden en waren toen behoorlijk overstuur. De mannen zijn eerst naar Wassenaar gelopen naar een adres, waar een zus van één van de jongens als dienstmeid werkte. Vervolgens verliep de voettocht naar Warmond en hebben toen zo'n beetje twee dagen lang zitten huilen bij de familie Kraan. Kaatje Ruiterman 1885-1973 waste hun kleren en haar man stuurde hen daarna terug naar de kazerne. De gevechten waren op dat moment gelukkig al afgelopen. Ze konden vanuit Warmond de gloed aan de hemel zien van Rotterdam, dat na het Duits bombardement in brand stond”.

Maarten Kraan 1920-1977 was voor de dienstplicht opgeroepen in Amsterdam bij de “Rode Kruis-troepen”, maar door het verloop van de oorlog is dat niet doorgegaan. Bij razzia's in Warmond kwam hij en andere mannen zich wel eens verstoppen op de zolder, of onder de botenloods.

Piet van Dijk zat een tijd ondergedoken in de Noordoostpolder. Tijdens een razzia stalden de Warmondse heren in de kippenschuur vier paarden, wachtend tot deze plundertocht weer voor bij was. Maarten Kraan 1920-1977 had een nieuwe Fongers fiets en toen in de oorlog de fietsen ingeleverd moesten worden, was deze verstopt in de stroschuur. Er is een kwitantie bewaard uit 1940 van Walenkamp te Leiden, voor de somma van 70 gulden. Dat zal voor de fiets van Maarten geweest zijn.

In de oorlog lag er in de Zandsloot een boot met Duitse soldaten. Als die wat nodig hadden, dan haalden ze dat zomaar weg en betaalden pas later. De familie Kraan kreeg zuur Duits brood aangeboden van deze militairen, maar dat hoefden ze niet. Ze hadden zelf eten genoeg op de molen. Er bestond een bepaalde verstandhouding tussen Bart Kraan 1885-1969 en de Duitse soldaten. Zijn vrouw heeft wel eens een gewonde soldaat verbonden. Het waren ook maar jonge jongens die tegen eigen wil ver van huis waren. Ze kregen wel eens iets lekkers, een kip of zo. Als er af en toe een boot kwam met iets illegaals, dan mochten de Duitsers daar van Bart Kraan 1885-1969 niet mee bemoeien, anders kregen ze de volgende keer geen kip meer! Hij was een grote man die de jonge soldaten ontzag inboezemde.

Als de Kranen in de hongerwinter van 1944-1945 in Sassenheim naar de kerk gingen, dan stonden daar hongerige Leidenaars bij de kerk om eten te bedelen. Ze gaven ze een keer een papieren zakje met brood en dat aten die mensen zó met papier en al op.

Een groepsfoto (waarschijnlijk) ter gelegenheid van het uitreiken van een onderscheiding. De burgermeester met ambtsketen in het midden en helemaal rechts zittend Bartholomeus "Bart" Kraan 1885-1969. Jaartal rond 1920. (1999-1236)



Lagere school, werk en huwelijk

De twee oudste en de twee jongste kinderen van het gezin gingen na de lagere school het huis uit om bij boeren te werken. De diensttijd bij een boer liep normaal van 1 mei tot 1 mei en één keer in de maand gingen ze naar huis en gaven ze het verdiende geld af.

Toen Cor Kraan (1915) in 1930 van school kwam, kregen alle kinderen Kraan difterie. Ze hebben toen ongeveer zes weken in het ziekenhuis gelegen. Er lagen van de St Nicolaasschool 23 kinderen in het ziekenhuis. Piet Kraan 1916-1985 is als enige na de lagere school nog een jaar één keer in de week naar de ambachtsschool in Leiden aan het Noordeinde gegaan.

Als de kinderen in het weekend thuis kwamen, waren ze vaak niet erg enthousiast om thuis te helpen. Ze vonden dat ze de hele week al hard hadden gewerkt en lieten liever Agaath Kraan 1917-2000 het meeste werk doen. Maar moeder zei dan, dat ze moesten helpen, want iedereen had de week hard gewerkt.

Vader Kraan kocht voor zijn dochter Agaath Kraan 1917-2000, toen 16 jaar oud een nieuwe fiets. Alleen Dien Kraan (1923) had op jongere leeftijd een fiets, een oude die door haar oudere broers in elkaar was gezet.

Piet Kraan 1916-1985 ging werken bij boer Jaap Hoogeveen in Noordwijkerhout, waar hij 32 jaar zou blijven. Zijn zoon Piet Kraan (1959) zou later in het zomerhuis van Hoogeveen gaan wonen. Piet Kraan 1916-1985 teelde zelf bollen en wist daarmee een aardig kapitaal te verdienen. Hij had aanvankelijk verkering met To van de Berg en gingen dan samen naar de bruiloft van Theodorus Petrus “Dirk” Kortekaas (1911) en Cor Kraan (1915). To was een vlotte meid, maar haar vader (boer), vond Piet Kraan 1916-1985 niet goed genoeg voor zijn dochter. Uiteindelijk in 1949, trouwde Piet Kraan 1916-1985 met Johanna “Annie” van Bohemen 1921-1987.

Cor Kraan (1915) ging eerst in het Westland werken en in 1938 verhuisde ze officieel naar Hillegom. Zij trouwde in 1941 met Dirk Kortekaas (1911) en ging in Lisse wonen. Ze heeft ook in een café gewerkt aan de weg naar Sassenheim. Maarten Kraan 1920-1977 trouwde in mei 1942 met Johanna Clasina “Jans” van der Mey 1918-2022.

Bart Kraan 1921-2002 kwam in 1935 van school. Toen hij thuis kwam, stond zijn koffertje al ingepakt om meteen naar een boer in Noordwijkerhout te vertrekken. Hij moest z’n oudere broer Piet Kraan 1916-1985 aflossen voor militaire dienst. Daarna werkte Bart Kraan 1921-2002 nog drie jaar in Noordwijk-Binnen. In 1939 ging hij een paar jaar werken in de Binnen-Kaag. Nadat Maarten Kraan 1920-1977 getrouwd was, woonde Piet Kraan 1916-1985 nog een paar jaar thuis. In 1948 verhuisde hij officieel naar Voorburg om drie jaar te werken bij Boer Van der Marel. Zulke banen vond je via advertenties in de krant of in het blad De Boerderij. Bart Kraan 1921-2002 kreeg verkering met Johanna Cornelia “Jo” van der Meij 1922-2014 en trouwde in 1951.Toen Bart in Voorburg werkte, kende hij Jo van der Meij 1922-2014 al en ging dan als hij vrij had, op de fiets van Voorburg naar Warmond om haar op te zoeken. Als ze bij de molen gingen wandelen, dan bleef de vader Kraan op de uitkijk staan om ze in de gaten te houden. Ze mochten zich niet achter hooioppers verschuilen. Na het huwelijk ging Bart Kraan 1921-2002 en Jo van der Meij 1922-2014 in Voorschoten wonen en werkte hij negen jaar bij boer Droogh aan de Leidseweg en ook een tijdje bij meelboer Schrama, welke ook wethouder was. Dankzij Schrama kreeg hij een baan als gemeentearbeider en een functie bij de reservepolitie.

Agaath Kraan 1917-2000 liet zich in een bepaalde periode niet aan anderen zien. Ze bleef thuis vanwege een ontsteking (wolfs zweer, of: lupus vulgaris) aan haar neus, waar ze een litteken aan zou overhouden. Dergelijke zweren kwamen indertijd vrij veel voor in gebieden waar vee gehouden werd.

Toen Dien Kraan (1923) nog op school zat zei ze, dat ze niet bij een boer wilde gaan werken en vertrok naar Oegstgeest om te werken als dienstmeisje, zowel in de dag als in de nacht. In 1939 verhuisde ze officieel naar Voorburg. In de oorlog werkte ze bij Boer Veelenturf in Voorburg. Dien Kraan (1923) had wel met Johannes Cornelis “Jan” van der Pouw Kraan 1919-2008 willen trouwen, maar dat mocht niet van haar vader, het was tenslotte familie en daar zouden gebrekkige kinderen van komen. Later toen zij haar nieuwe vriend Piet van Dijk (1921) meenam om aan haar ouders voor te stellen, zei moeder Kraan dat ze hem maar een “klein oud mannetje” vond…. Het stel trouwde in 1949 te Sassenheim en gingen daar wonen. In Sassenheim zat Dien Kraan (1923) in de Vrouwenbond. Als de Vrouwenbond een uitstapje maakte en er waren nog plaatsen vrij in de bus, dan gingen Agaath Kraan 1917-2000 en Jans van der Mey 1918-2022 soms mee.

Maarten Kraan 1920-1977 trok vooral op met drie jongens uit zijn klas: Jaap van der Meij, Rinus van Tongeren en Gerard van Dam. Ze speelden samen kaart en hun favoriete café was Juffermans bij de Warmonderdam. Het kan zijn dat de consumpties daar net iets goedkoper waren. Via Jaap leerde Maarten Kraan 1920-1977 en Jans van der Mey 1918-2022 elkaar kennen. In de oorlog nam Maarten Kraan 1920-1977 werk aan van bollenboeren. Bijvoorbeeld het rooien van bollen op een afgesproken stuk land. Hij werkte bij bloembollenbedrijf Van der Heide, vlakbij de molen. Als er Duitsers zouden komen, dan zou hij snel “in de molen” kunnen onderduiken. Jans van der Mey 1918-2022 kwam regelmatig op bezoek, ze noemde dat een bezoekje “op de molen”. Zo bleef ze spreken, ook toen de molen al was afgebroken. Jans van der Mey 1918-2022 was daar een tijdlang “kind aan huis”, zoals ze zelf zei. Toen Bart Kraan 1885-1969 en Kaatje Ruiterman 1885-1973 kwamen kennismaken met Frans en Aagje van der Meij op de Waagdam, zag moeder Kraan voor het eerst van haar leven een gaslamp. “Wat een leuk lampje”, zei ze en raakte het gaskousje met haar nagel aan. Gaskousjes bestonden uit een soort verkoold katoen, dus het was meteen kapot.

Het was de bedoeling dat Maarten Kraan 1920-1977 zijn vader zou opvolgen als machinist of “machinedrijver” van het gemaal. Zijn twee broers Piet Kraan 1916-1985 en Bart Kraan 1921-2002 waren immers al het huis uit. Zijn vader vond hem blijkbaar geschikt als opvolger. Tijdens de ziekte van zijn vader in 1942 heeft Maarten Kraan 1920-1977 hem veertien weken lang vervangen als machinist. Hij kreeg daarvoor een vergoeding van 7 gulden per week. In 1943 betaalde het polderbestuur hem 25 gulden voor het overwerk.

Op 8 maart 1927 had Bart Kraan 1885-1969 een operatie ondergaan in het Elisabeth ziekenhuis. De rekening van het ziekenhuis en de chirurg was toen bijna 200 gulden. Boer Oostdam heeft toen een paar keer de motor van het gemaal bediend. Bart Kraan 1885-1969 was ook ziek eind jaren 30. Later in december 1941 heeft hij in het Elisabeth gelegen. In het Parochie Bulletin St. Pancratius staat vermeld, dat hij bediend werd. Dat gebeurde net voor de operatie, omdat zo’n operatie blijkbaar niet zonder levensgevaar was. Hij zou toen drie maanden ziek zijn geweest. Volgens zijn dochter Agaath Kraan 1917-2000 onderging hij drie maagoperaties. Omdat Bart Kraan 1885-1969 niet thuis kon zijn tijdens zijn ziekenhuis opnames, kwam er een zoon van molenaar Verschoor bij het gezin in huis slapen. Zodoende was er 's nachts een man in huis en zou Kaatje Ruiterman 1885-1973 niet alleen zijn met al die kinderen.

Op 1 april 1950 ging Bart Kraan 1885-1969 met pensioen en werd zijn zoon Maarten Kraan 1920-1977 officieel de tijdelijke machinist. Hij deed de toezegging de woning bij het gemaal te betrekken, maar dat is niet doorgegaan, omdat zijn vrouw uiteindelijk toch niet in de polder wilde gaan wonen. Het gevolg was wel dat per 1 januari 1953 ontslag volgde .

Naar de Scheepmakersdam

In 1948 vertrok Bart Kraan 1921-2002 uit het ouderlijk huis en vanaf dat moment woonde Agaath Kraan 1917-2000 er alleen met haar ouders. Op 1 december 1955 is de familie officieel verhuisd naar de Scheepmakersdam.

Bart Kraan 1885-1969 heeft een aardig bedrag overgehouden aan de verkoop van eigen bezittingen bij het verlaten van het oude huis. Bij een bezoek aan zijn kinderen, gaf hij af en toe een briefje van 100 gulden.

Vanuit het nieuwe huis aan de Scheepmakersdam konden ze zwaaien naar het gezin van Maarten Kraan 1920-1977 en Jans van der Mey 1918-2022 op de Waagdam. De kleinkinderen Kraan kwamen met kerstmis altijd op bezoek bij opa en oma om naar het kerststalletje te kijken.

Agaath Kraan 1917-2000 ging in het Jongenshuis werken van de Paters bij de Tol en in het Liduina.

Op zijn oude dag zou Bart Kraan 1885-1969 een paar keer weggelopen of weggefietst zijn. Hij werd later, tegen zijn zin, in de Bavo-inrichting in Noordwijkerhout opgenomen. Hij is daar een dag later op 6 juni 1969 gestorven, nadat hij volgens zijn bidprentje op 31 mei bediend was. Bart Kraan 1885-1969 werd begraven in een nieuw familiegraf op het parochiële kerkhof. Agaath Kraan 1917-2000 heeft hierna de zorg voor haar moeder op zich genomen. Kaatje Ruiterman 1885-1973 is op 13 juni 1973 gestorven en bijgezet in het graf van haar man.

Bron: Wim Rosema “Vier molenaars uit de familie Kraan”. Genoteerd in de jaren 1998 tot en met 2003.

kraan/bart_kraan_op_de_hemmeermolen.txt · Laatst gewijzigd: 2023/11/29 11:32 door dirkjankraan